Foto Pexels (CC0)
Geen bewijs dat extra vitamine D in de wintermaanden zinvol is
4 september 2018 Arno van 't Hoog

Berichten over dreigende vitamine D-tekorten horen bij het einde van zomerperiode, net als de start van het collegejaar en de eerste kruidnootjes in de supermarkt. De gedachte erachter lijkt op het eerste gezicht logisch. In het najaar daalt het aantal zonuren fors en zijn we vaker binnen. Blootstelling aan daglicht neemt af, terwijl uv-straling van de zon aanmaak van vitamine D in de huid stimuleert. Toch lopen de meeste mensen geen risico op een tekort en is het nut van extra vitamine D slikken niet bewezen.

Bewering

Het is zinvol om in de winter extra vitamine D te slikken.

oordeel: deels onwaar

Bron van de bewering

Volgens sommige media is een risico op een vitamine D-tekort iets om serieus bij stil te staan in het najaar. Volgens de Vlaamse site Het Laatste Nieuws biedt zelfs deze extreem zonnige zomer geen enkele garantie tegen vitamine D-tekort: “De winterdip zal rond februari opduiken.” “Are you at risk?”, vraagt de Britse Express. Veel mensen grijpen in de winter tegenwoordig naar vitamine D-pillen, schrijft Gezondheidsnet.nl, en zelfs daarvan vraagt de site zich af het toereikend is: “Maar is het niet beter om het hele jaar door extra vitamine D te slikken?

Vitamine D is al een decennium bezig aan een opmars in het publieke bewustzijn, waarschijnlijk door media-aandacht voor wetenschappelijk onderzoek, en reclame voor online testen en supplementen bij de drogist. Verkoop van tests en pillen is uitgegroeid tot een miljardenhandel. Internationale voedingsnormen en discussie over ‘gezonde’ bloedwaarden voor vitamine D hebben daarbij geholpen. Zo ook in Nederland met adviezen van de Gezondheidsraad, die met tussenpozen de voedingsnormen voor vitamine D evalueert, voor het laatst in 2012.

Wat klopt er niet, en wat wel?

De Gezondheidsraad stelt eigenlijk dat extra behoefte aan vitamine D eerder uitzondering is dan regel. Het nut van supplementen is voor de meeste mensen niet bewezen. “Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat alle kinderen, adolescenten en volwassenen tussen de 4 tot 70 jaar uit gezondheidsoogpunt extra vitamine D nodig hebben.” Uitzonderingen zijn jonge kinderen tot drie jaar, en mensen die weinig in de zon komen of een donkere huid hebben. Dat zijn subgroepen die  “mogelijk wel baat hebben bij extra vitamine D”.

De Gezondheidsraad baseert het advies grotendeels op wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van vitamine D op botgezondheid, dat wil zeggen: het tegengaan van rachitis (Engelse ziekte) bij kleine kinderen en botbreuken bij ouderen. Die relatie is het stevigst onderbouwd met onderzoek.

Voor de heilzame werking van extra vitamine D op andere ziekten, zoals immuunstoornissen, depressie en hersenontwikkeling tijdens de zwangerschap, zijn de bewijzen zwakker of indirect. Mensen met depressie hebben bijvoorbeeld vaker lagere concentraties vitamine D in hun bloed. Alleen of dat een oorzaak is van depressies, is nog niet heel sterk onderbouwd. Het is wachten op onderzoek dat laat zien dat extra vitamine D de kans op depressies vermindert of de duur van depressieve periodes bekort. Zogenaamde reviews, die de resultaten van tientallen van zulke onderzoeken samenpakken, geven een variabel beeld, van geen meetbaar effect op depressie-symptomen, tot een matig positief effect, met de kanttekening dat dat ‘voorlopig’ is omdat sommige studies gebreken vertonen.

Zelfs de positieve invloed van vitamine D op het voorkomen van botbreuken bij ouderen kent de nodige nuances. Er zijn weliswaar voedingsrichtlijnen, maar klinische studies hebben moeite om consistent een positief effect op botbreuken bij ouderen aan te tonen. Reviews van dit soort studies zien dat extra inname van vitamine D alleen waarschijnlijk niet voldoende is om botbreuken te voorkomen. Dat effect is vaak alleen merkbaar in combinatie met calciumsupplementen.

Recent zette een grootschalig patiënten-onderzoek naar risicofactoren voor botbreuken een extra vraagteken bij het idee dat vitamine D beschermt. Onderzoekers bekeken de medische gegevens van 185.000 botbreuk-patiënten en 377.000 leden van een controlegroep. Hun conclusie is dat mensen die van nature minder vitamine D aanmaken geen hogere kans hebben op botbreuken. Een van de hoofdonderzoekers stelt dat het daarom het tijd is om richtlijnen voor routinematige inname van vitamine D te herzien.

Conclusie

De wetenschappelijke discussie over het nut van het nemen van vitamine D supplementen is nog volop in beweging. Dat geldt zelfs voor risicogroepen zoals ouderen, waarvan wetenschappers al langer vermoeden dat extra inname positief kan uitwerken. Voor alle andere mensen, die niet tot een risicogroep behoren, geldt dat er geen bewijs is dat extra inname van vitamine D zinvol is, ook niet in de wintermaanden.

Bronnen