Onderschat de invloed van factchecks niet: 7 misverstanden over factchecken
5 december 2018 Alexander Pleijter
Coördinator van Nieuwscheckers. Universitair docent aan de Universiteit Leiden.
Peter Burger
Coördinator van Nieuwscheckers. Universitair docent aan de Universiteit Leiden.

Factchecken is geen wondermiddel tegen nepnieuws, maar wel een broodnodige toevoeging aan de nieuwsmachine. Dat betogen Alexander Pleijter en Peter Burger, oprichters van het factcheckproject Nieuwscheckers.

‘We moeten op een andere manier met des­informatie omgaan dan het te factchecken of te blokkeren.’ Dit citaat komt uit de uitzending van Tegenlicht over bedrieglijk echte, maar vervalste video’s (‘deep fake news’). Het zijn de woorden van de oprichter van Drog, een initiatief dat scholieren bewustmaakt van nepnieuws door ze zelf nepnieuws te laten verzinnen. In juli zei hij in NRC Handelsblad dat factchecken geen nut heeft.

Deze visie horen we vaker. Onlangs nog, toen een fonds in woorden van gelijke strekking ons subsidieverzoek afwees om beweringen van politici te factchecken tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen.

Heeft factchecken geen nut? Zeker wel! We ruimen een paar misverstanden over factchecken uit de weg.

Misverstand 1: Mensen bewust­maken van nepnieuws is nuttiger dan factchecken.

Volgens Drog kun je ­beter mensen leren hoe nepnieuws wordt verspreid, dan tijd steken in het checken daarvan. Bewustwording is altijd goed, maar vervolgens controleren of iets klopt is vaak tijdrovend en ingewikkeld. Je moet experts bellen, studies raadplegen en tools kennen om de authenticiteit van foto’s of ­video’s vast te stellen. Tijd en expertise waarover veel mensen niet beschikken. Handig dus als factcheck­ers dat checken voor hen doen.

Misverstand 2: Politici trekken zich niks aan van factcheckers.

Dat geldt voor Donald Trump. Maar uit Amerikaans onderzoek blijkt dat politici die weten dat ze gefactcheckt kunnen worden, minder geneigd zijn om ­onwaarheden te debiteren.

Misverstand 3: Factchecks hebben beperkt bereik.

Onwaarheden halen inderdaad meestal een groter bereik op sociale media dan factchecks die deze onwaarheden onderuithalen. Factcheckers moeten daarom investeren in aantrekkelijke formats om hun factchecks meer onder de aandacht te krijgen. Bijvoorbeeld met video’s op sociale media. Zo werd een Volkskrant-video van wetenschapsjournalist Maarten Keulemans over desinformatie over vluchtelingen meer dan 2 miljoen keer bekeken op Facebook.

Misverstand 4: Factchecks overtuigen niet.

Als Rutte je favoriete politicus is, zul je hem niet laten vallen als hij op een onjuistheid wordt betrapt. Maar stemgedrag beïnvloeden is ook niet het doel van factcheckers; zij willen dat het publieke debat zo veel ­mogelijk wordt gevoerd op basis van feiten en dat mensen de mogelijkheid hebben om op basis van feiten keuzes te maken. Overigens laat ­onderzoek zien dat mensen liever op een politicus stemmen die door factcheckers niet op onwaarheden is betrapt.

Misverstand 5: Factchecks bereiken niet het juiste publiek.

Mensen die ergens heilig van overtuigd zijn, veranderen niet van mening na een confrontatie met de feiten. Maar er is ook altijd een groep twijfelaars. Mensen die iets horen of lezen en zich afvragen of het waar is. Hebben beleggers echt 1 op de 3 appartementen in handen, zoals ­Lubach claimde? Zorgen vaccinaties inderdaad voor chronische vermoeidheid, zoals op dat internetforum wordt beweerd?

Juist deze groep twijfelaars is geholpen met factchecks die helder uitleggen hoe het zit. En die twijfelaars bereiken we steeds beter: factchecks krijgen voorrang en zijn duidelijk herkenbaar in Google-zoek­resultaten. Wel zo prettig voor mensen die zich afvragen of iets klopt.

Factchecks worden duidelijk herkenbaar gepresenteerd in de zoekresultaten van Google.

Misverstand 6: Factcheckers zijn vaak te laat.

Desinformatie verspreidt zich in razend tempo. Zo’n olievlek van hele leugens en halve waarheden kunnen factcheckers nauwelijks bijbenen. Toch dat is natuurlijk geen ­reden om het op zijn beloop te laten. Het is nooit te laat om mensen alsnog te laten weten dat iets niet juist is.

Bovendien wordt hetzelfde nepnieuws vaak herhaaldelijk in omloop gebracht. Bijvoorbeeld door sites die er geld mee verdienen. Zo zien we om de zoveel tijd het bericht opduiken dat moslimouders eisen dat schoolkantines geen varkensvlees verkopen. Als factcheckers iets eerder hebben weerlegd, kunnen ze op dat moment wel prompt reageren. Bovendien ­serveert Google de factcheck dan ­direct bij de zoekresultaten.

Misverstand 7: Factchecken is een taak voor journalisten.

Factchecken is natuurlijk de basistaak van journalisten; zij moeten hun eigen werk controleren voor publicatie. Maar te vaak geven ze beweringen ongecheckt door (he said, she said). Bovendien zijn journalisten al lang niet meer de enigen die nieuws produceren. Nieuws betrekken burgers ook rechtstreeks van politici, ngo’s of clickbait-sites die hun berichten pushen via Facebook. Werk genoeg voor factcheckers dus.

De invloed van factchecks is groter dan sweeping statements soms suggereren. Factchecken is jong. Er is de voorbije jaren waardevolle ervaring opgedaan. En er is alle reden voor ­optimisme: razendsnelle ontwikkelingen op het gebied van factcheck-software en automatisering helpen mee om onwaarheden sneller te achterhalen en effectiever te debunken.

Dit artikel verscheen als opiniestuk in de Volkskrant.