Ongefundeerd: ‘Herinvoering gulden leidt tot 8,4% koopkrachtstijging’
22 mei 2019 |
Enith Vlooswijk
Freelance journalist.

Nederland doet er goed aan de gulden weer in te voeren, denkt Thierry Baudet. De stelling dat dit zou leiden tot een forse koopkrachtstijging voor de Nederlandse burger, is echter gebaseerd op discutabele aannames.

Bewering: De herinvoering van de gulden leidt tot 8,4 procent koopkrachtstijging voor een modaal gezin.

Oordeel: Ongefundeerd.

Bron van de bewering

Thierry Baudet maakt er geen geheim van terug te willen naar de Nederlandse gulden. In de aanloop van de Europese Verkiezingen twittert hij op 14 mei dat de herinvoering van onze voormalige munt leidt tot 8,4 procent koopkrachtstijging, of zesduizend euro per jaar voor een modaal gezin. Hij baseert zijn uitspraak op een artikel in de Dagelijkse Standaard uit 2017 van bedrijfseconoom Jean Wanningen. Zijn tweet bevat een link naar het artikel.

Wanningen zelf mailt in een reactie aan Nieuwscheckers dat zijn verhaal betrekking heeft op de situatie dat Nederland niet zou zijn toegetreden tot de muntunie. We concentreren ons hier echter op wat er in zijn artikel in De Dagelijkse Standaard staat.

Waarom is de uitspraak ongefundeerd?

Wanningen noemt in zijn artikel onder meer econoom en nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz, die in zijn boek The Euro scherpe kritiek levert op de Europese muntunie. Volgens Wanningen pleit Stiglitz voor een afschaffing van de euro. Dat is echter slechts een ‘plan B’ dat de econoom schildert: in eerste instantie pleit Stiglitz namelijk voor drastische hervormingen van de monetaire unie, waarbij de landen juist veel nauwer gaan samenwerken en hun schulden onderling beter gaan verdelen, zoals hij uitlegt in dit tv-interview. Ook aan Wanningen heeft Stiglitz dat overigens uitvoerig toegelicht tijdens een interview voor Follow the Money.

Drie aannames

Bij zijn stelling, dat de Nederlandse koopkracht zal stijgen bij herinvoering van de gulden, gaat Wanningen uit van drie aannames.

In de eerste plaats veronderstelt hij dat Nederland gewoon deel blijft uitmaken van de Europese interne markt. Of de overige Eurolanden dit zouden toestaan, is echter maar de vraag.

In de tweede plaats gaat hij ervan uit dat Nederland als enige uit de muntunie stapt. Steven Brakman, hoogleraar Internationale Economie aan de Rijksuniversiteit Groningen, betwijfelt of Nederland die stap zou kunnen zetten zonder dat de Eurozone scheurt. ‘Nederland behoorde met de Benelux tot de zes landen die de EEG oprichtten. Als een van die landen opstapt, is dat een heel raar signaal.’  

De derde aanname is dat de gulden ten opzichte van de Amerikaanse dollar en de euro met ongeveer 33 procent in waarde zou stijgen, waarvan de Nederlandse consument zou profiteren: de binnenlandse koopkracht zou toenemen met 8,4 procent.

Om dit laatste toe te lichten, verwijst hij naar een tekst van de jurist en zelfstandig euro-researcher André ten Dam, die in dit kader is geraadpleegd door het burgerinitiatief Peuro. Het burgerinitiatief, gelanceerd door onder meer Forum voor Democratie, pleitte enkele jaren terug voor een parlementaire enquête naar de invoering van de euro. Volgens Ten Dam is ten tijde van de invoering van de euro de gulden ongeveer 13 procent ondergewaardeerd. Hij onderbouwt dit met een analyse van MeesPierson uit 1997 [pdf]. De wisselkoers van de euro voor Nederland zou daarom momenteel ongeveer 1,40 Amerikaanse dollar moeten bedragen, in plaats van de huidige 1,05 dollar. Door herinvoering van de gulden zouden de Nederlanders van deze hogere koers profiteren.

Geen ondergewaardeerde wisselkoers

Sylvester Eijffinger, hoogleraar Europese financiële en monetaire integratie aan de Universiteit Tilburg, heeft geen goed woord over voor deze analyse. ‘Het zijn allemaal extrapolaties vanuit het verleden, we weten dat dit helemaal niet kan.’

Macro-econoom Sweder van Wijnbergen van de UvA erkent dat de wisselkoers indertijd voor Nederland wat laag is vastgesteld. ‘Maar dat dit nu nog steeds zo zou zijn, is volstrekt ondenkbaar. Onder- of overwaardering heeft te maken met de reële wisselkoers, dus de wisselkoers gecorrigeerd voor verschillen in prijsontwikkelingen tussen de landen waarvan je de wisselkoers bekijkt. Op de korte termijn heeft een verandering in de nominale wisselkoers daar wel invloed op, maar niet op de lange termijn. Er zijn intussen al zoveel aanpassingsmechanismen aan het werk geweest, die verstoring is allang weg. Als we echt een te lage wisselkoers zouden hebben, zouden we een ‘booming’ economie moeten hebben, want dan zouden onze goederen voor te weinig geld worden verkocht. Uitgerekend met de export gaat het helemaal niet zo goed.’

De exportgroei van de afgelopen jaren is volgens deze cijfers van het CBS inderdaad niet om over naar huis te schrijven. Ook wat betreft de groei van ons bruto nationaal product liggen we ongeveer op het Europese gemiddelde. ‘Er is geen enkele aanwijzing dat wij een ondergewaardeerde wisselkoers hebben’, zegt Van Wijnbergen.

Duurdere export

Brakman kan zich wel voorstellen dat de prijs van de gulden zou stijgen, gezien het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Alleen zou dat volgens hem niet automatisch goed nieuws zijn, omdat dit onze exportproducten duur zou maken.

Wanningen ondervangt die kritiek bij voorbaat door te stellen dat de export voor Nederland niet zo belangrijk is als velen denken: vooral de binnenland-gerelateerde economie, zegt hij, vormt de ruggegraat van ons bruto binnenlands product. De export is immers ‘slechts’ goed voor ongeveer 30 procent van ons bbp. Dat klopt, alleen zijn hier wel meer dan 2 miljoen banen mee gemoeid (de meest recente CBS-cijfers hierover dateren uit 2015 [Excel-bestand]).

Volgens de experts houdt Wanningen vooral te weinig rekening met hoe vervlochten de Nederlandse economie is met de overige Eurolanden. Elk van hen zegt te vrezen voor de onrust die een Nexit zou veroorzaken. ‘Het wordt een rommelige overgang en dat zorgt voor onzekerheid, voor lage investeringen, lage groei, lage productiviteitsgroei, lagere lonen. In Engeland schatten ze dat ze nu al drie procent te laag zitten door dat Brexit-gedoe’, zegt Van Wijnbergen. ‘Er zit iets inherent onlogisch in: je bent een open economie en je zet jezelf buiten het grootste handelsblok van de wereld. Je kun je net zo goed meteen voor je kop schieten.’

Die drie procent klopt niet helemaal: volgens verschillende nieuwsberichten schat Goldman Sachs de daling van het Britse bbp door de Brexit in op ongeveer 2,5 procent.

Eijffinger vreest vooral de nadelige consequenties op langere termijn. ‘De handelsstromen van Nederland zijn de afgelopen twintig jaar erg vervlochten geraakt met de EU, in het bijzonder de Eurozone. Ook aan Griekenland hebben we tijdens de crisis gezien hoe vervlochten dat land was met de eurozone. Een land als Nederland zal een heel hoge prijs betalen door het verlaten van de muntunie.’

Problemen met de muntunie

Op één punt geven Brakman en Eijffinger de journalist gelijk: er is wel degelijk iets mis met de muntunie. De kloof tussen landen met een tekort op de lopende rekening en de landen met een overschot is zo groot, dat een volgende crisis op de loer ligt. Eijffinger legt uit: ‘De zwakheid is dat men de muntunie indertijd niet compleet heeft gemaakt met enige mate van een begrotingsunie, of instrumenten om het nationale begrotingsbeleid beter te coördineren.’

Brakman wijst op de behoefte aan alternatieve instrumenten voor de wisselkoers om verschillen tussen landen op te vangen, nu aanpassingen aan nationale wisselkoersen niet meer mogelijk zijn. Hoe dan ook denken de experts dat de muntunie niet toe is aan opheffing, maar juist aan een volgende stap – bijvoorbeeld in de vorm van een fiscale unie en een rechtvaardig transfersysteem.

Conclusie

Er is geen bewijs dat de herinvoering van de gulden leidt tot een koopkrachtstijging van de modaal verdienende Nederlander.

22 mei 2019 |
Enith Vlooswijk
Freelance journalist.