Foto: Rawpixel via Pexels CC0
Smartphone is voorlopig geen depressie-melder
19 oktober 2018 Arno van 't Hoog

Neurowetenschapper Tom Insel ontwikkelt een app die depressies detecteert, op basis van reactietijden en scrollgedrag, vertelde hij in een interview in de Volkskrant. Volgens depressie-onderzoekers heeft het idee hierachter een wetenschappelijke basis, maar is het nog te vroeg om te zeggen of het bruikbare diagnostiek gaat opleveren.

Bewering

De manier waarop smartphonegebruikers klikken en swipen verraadt van alles over hun geestelijk welzijn.

oordeel: niet te checken

Bron van de bewering

De Volkskrant publiceerde op 5 oktober een interview met psychiater en neurowetenschapper Tom Insel van startup Mindstrong over de ontwikkeling van een app die in smartphone-gebruik een ‘digitale vingerafdruk’ van depressies kan detecteren. Insel komt 15 november naar Nederland voor een lezing (de 25ste Anatomische Les), die de Volkskrant samen met UMC Amsterdam organiseert.

Insel vertelt over hoe zijn start-up in toetsaanslagen van smartphone gebruikers zoekt naar patronen die iets vertellen over het geestelijk welzijn.

“We verzamelen dagelijks al die gegevens en vervolgens laten we er kunstmatige intelligentie op los om ze te analyseren en de relevante signalen eruit te filteren. Met deze biomarkers willen we op een objectieve manier begrijpen hoe de hersenen werken, hoe mensen denken, zich voelen, zich gedragen.”

Het moet leiden tot een ‘digitale rookmelder’: een app die een patiënt of hulpverlener waarschuwt dat er iets aan de hand is, zelfs voordat symptomen merkbaar zijn. “We zijn iets op het spoor wat nuttig kan zijn als biomarker voor depressies”, zegt Insel, die hoopt dat het eerste product in 2019 beschikbaar komt.

Waarom is dit niet te checken?

Mindstrong zoekt met artificial intelligence naar patronen in reactietijden van smartphonegebruikers, om te waarschuwen voor bijvoorbeeld depressies. Op zich is de gedachte om reactietijden te meten niet vreemd, zegt Huib Burger. Burger onderzoekt als universitair hoofddocent de epidemiologie van psychiatrische aandoeningen bij het UMC Groningen en Amsterdam UMC.

Hij werkt onder meer aan voorspelling van depressie bij mensen die twee of meer depressieve episodes hebben doorgemaakt. Reactietijd wordt daar niet bij gebruikt, maar afname van het vermogen om informatie te verwerken speelt wel degelijk een rol bij depressie. Burger: “Dat is al lang geleden opgemerkt: dat mensen met depressie wat trager handelen en beslissen.”

Maar hij is sceptisch over een diagnose-app: “Om reactietijd te gebruiken als echte diagnostische of voorspellende tool in de kliniek, dat stelt heel andere eisen dan wanneer je in een onderzoek signaleert dat mensen met een depressie trager reageren, en meer tijd nodig hebben om informatie te verwerken. Dat laatste is wel in wetenschappelijk onderzoek aangetoond. Maar de diagnose van depressie stelt een clinicus vooral op basis van een interview en oriënterend medisch onderzoek en eventueel vragenlijsten. Die zal over het algemeen  geen reactietijd meten als onderdeel van de diagnostiek. Dat is meer iets uit de onderzoekswereld.”

Het voordeel van een reactietijd is volgens Burger dat die onafhankelijk is van context, opleiding en vaardigheden. “Bij andere testen, die bijvoorbeeld interpretatie van teksten vergen, speelt de sociaaleconomische achtergrond van de persoon een rol. Reactietijd meet je dus bij iedereen op gelijke wijze. Dat heeft iets aantrekkelijks; het is een objectieve, biometrische maat.”

Geen diagnostiekstatus

Er is volgens Burger wel aangetoond dat een trage reactietijd een risicofactor is voor het ontwikkelen van psychological distress in de jaren erna. “Dat kun je vertalen in symptomen van angst en depressie. Dat verband is aangetoond bij adolescenten en volwassenen, door studies van de groep van Catharine Gale, maar het heeft nog de status van wetenschappelijk onderzoek. Het verband is te zwak om er diagnostiek mee te bedrijven, zoals je diabetes onderzoekt met een glucose-tolerantietest.”

Volgens Burger wordt er van alles geclaimd rond nieuwe apps. “Maar er moet eerst nog veel gevalideerd worden. Met grote datasets kun je mooie theorieën bouwen, maar je moet het altijd weer zien te bevestigen bij een nieuwe groep mensen. En dat lukt niet altijd. Het is daarom heel belangrijk om dit soort onderzoek te herhalen, om te zien of de theorie standhoudt. Dat is ook hier het geval.”

“Ik kan me voorstellen dat tragere informatieverwerking samenhangt met concentratie”, zegt Marieke Wichers, hoogleraar dynamiek in emotieregulatie en psychopathologie, bij het UMC Groningen. “Mensen met depressie hebben ook vaak minder goede concentratie, maar dat geldt niet voor alle depressieve patiënten. En slechte concentratie kan natuurlijk ook met andere zaken samenhangen.”

Het artikel in de Volkskrant wekt volgens Wichers de suggestie dat tragere informatieverwerking het persoons-specifieke risico zou kunnen bepalen op een verandering in depressie-klachten. “Terwijl het vaak zo is dat dit soort big data van social mediagebruik variatie op groepsniveau kunnen voorspellen, maar lang niet alles verklaren en dus mogelijk niet genoeg zijn voor individuele voorspellingen.” Toch is de ontwikkeling van de app interessant,  stelt Wichers. “Het is een nieuw idee, dat hij nog gaat onderzoeken. Dus wie weet.”

Conclusie:

Er is een relatie tussen informatieverwerking, reactietijden en depressies, maar tot nu toe heeft dat nog geen betrouwbaar instrument opgeleverd om depressies te signaleren. De principes en mechanismen achter de app hebben een wetenschappelijke basis, maar de claim dat een app kan helpen om de diagnose depressie te stellen is nog op veel punten nog niet onderbouwd.

Bronnen

  • Gale CR, Harris A, Deary IJ (2016). Reaction time and onset of psychological distress: the UK Health and Lifestyle Survey. Journal of Epidemiology and Community Health. 70(8): 813-817. doi:10.1136/jech-2015-206479.
  • Dagum, P (2018)  Digital biomarkers of cognitive function. Npj Digital Medicine, volume 1, Article number: 10
  • Insel, T.R. (2018) Digital phenotyping: a global tool for psychiatry. World Psychiatry 17(3): 276–277. doi:  10.1002/wps.20550