Bewering

Ruim een half miljoen Nederlandse huishoudens gebruikt 40 procent meer gas en 10 procent meer elektriciteit dan gemiddeld door slecht geïsoleerde woningen.

Oordeel

Onwaar.

Bron van de bewering

In het verkiezingsprogramma 2022-2026 van de SP Utrecht staat onder de kop “Bestrijd energiearmoede”:

“De stijging van de gasprijzen vormt een grote financiële bedreiging voor ruim een half miljoen huishoudens in Nederland. Door hun slecht geïsoleerde woning gebruiken zij ongeveer 40% meer gas en 10% meer elektriciteit dan gemiddeld. Daardoor zijn zij een relatief groot deel van hun (lage) inkomen kwijt aan de energierekening.”

Zorgwekkende cijfers dus. De SP Utrecht had helaas geen tijd om toe te lichten waar de cijfers vandaan komen. De strofe lijkt woordelijk overgenomen uit een Volkskrant-artikel over een TNO-rapport over energiearmoede in Nederland.

De feiten

Het TNO-rapport uit september 2021 kan ons helpen beter te begrijpen wat energiearmoede in de praktijk behelst. TNO hanteert verschillende definities om te bepalen wanneer er daadwerkelijk sprake is van energiearmoede en zet telkens uiteen hoe die definities er uitgedrukt in cijfers uitzien. Aan de hand van die verschillende definities van energiearmoede en de uiteenlopende bijbehorende cijfers wordt duidelijk waar de bewering van de SP Utrecht vandaan komt. 

De meest gangbare definitie is de Hoge Energie Quote (HEQ) volgens welke een huishouden energiearm is wanneer “een (te) hoog aandeel van het inkomen opgaat aan energiekosten”. De HEQ heeft twee nadelen. De HEQ kan het probleem onderschatten doordat huishoudens die minder uitgeven aan energie omdat ze het niet kunnen betalen, niet worden meegerekend, en kan het probleem overschatten doordat ook huishoudens worden meegeteld die genoeg te besteden hebben en ervoor kiezen om veel energie te gebruiken. Dit is niet de definitie waar de SP zich op gebaseerd lijkt te hebben. Die heeft het immers alleen over de huishoudens met een ‘slecht geïsoleerde woning’. 

Om een vollediger beeld te schetsen van energiearmoede in Nederland hanteert het TNO-rapport nog drie andere definities: 

  • Laag Inkomen & Hoge Energiekosten (LIHK) in het geval van een huishouden dat “een relatief laag inkomen heeft én relatief hoge energiekosten” 
  • Laag Inkomen & huis met Lage Energie Kwaliteit (LILEK), waarbij lage energie kwaliteit gaat om huizen met een energielabel van D of lager, en ongeveer de helft van de huizen met een C-label. Dit is dus de groep waar de SP over spreekt. 
  • Huis met Lage Energie Kwaliteit & niet zelf kunnen verduurzamen, wanneer een huishouden niet genoeg vermogen heeft of geen besluit mag nemen om de woning te verduurzamen als zij bijvoorbeeld huren. 

Aan de hand van deze definities valt te achterhalen waar het Volkskrant-artikel en het verkiezingsprogramma van de SP Utrecht de ruim half miljoen huishoudens en de 40 procent meer gasgebruik en 10 procent meer elektriciteitsgebruik vandaan halen. De bewering over 40 procent meer gasgebruik en 10 procent meer elektriciteitsgebruik geldt voor de HEQ-definitie, waarbij dus alleen gekeken is naar welk aandeel van de inkomsten aan energie wordt besteed. Kijken we naar de groep waar de SP over spreekt (Laag Inkomen & huis met Lage Energie Kwaliteit (LILEK) dan liggen de cijfers beduidend anders: deze groep gebruikt 12% meer gas en 13% procent minder elektriciteit. Voor de LIHK-groep liggen de cijfers meer in de buurt van de cijfers van de SP. Deze huishoudens gebruiken 32% meer gas en 8% meer elektriciteit.  

Wat betreft de ruim half miljoen huishoudens die in energiearmoede verkeren, dat aantal komt uit het persbericht van TNO zelf, waarin staat dat er sprake is van energiearmoede:

“als huishoudens over een laag inkomen beschikken in combinatie met hoge energielasten dan wel een woning van energetisch onvoldoende kwaliteit. Het gaat om 550.000 huishoudens, zo’n zeven procent van het totaal.”

Ofwel, het gaat hier om huishoudens die energiearm zijn volgens de LIHK-definitie óf de LILEK-definitie óf onder beide definities vallen. Het aantal huishoudens dat voldoet aan enkel de LILEK-definitie, dus een laag inkomen heeft én een slecht geïsoleerd huis, waar de SP het over heeft, komt lager uit. Dat zijn geen 550.000 maar 390.000 huishoudens.  

Hoewel de cijfers van de SP Utrecht niet kloppen, is energiearmoede wel degelijk een groeiend probleem in Nederland, vertelt Peter Mulder (TNO), auteur van het rapport. “Het rapport is gebaseerd op data uit 2019. Zeker met de recente stijging van de gasprijzen is het goed mogelijk dat er een toename is in huishoudens die in energiearmoede belanden.” Mulder wijst daarbij op een recent rapport van het CBS waaruit blijkt dat energieprijzen rond de 86% zijn gestegen. “Hiervoor ging 13% van het inkomen van LIHK-huishoudens en 20% van het inkomen van LILEK-huishoudens naar de energierekening, als zij recent hun energiecontract hebben vernieuwd kan dat nu dus uitkomen op zo’n 24% en 35%.” Doordat de prijzen stijgen, wordt de energierekening mogelijk ook voor meer huishoudens problematisch. “Als je een tijdelijk energiecontract had, loop je nu het risico om een nieuw en veel duurder contract af te moeten sluiten zodra dit afloopt. Waar het voorheen dus ging om 550.000 huishoudens (7% van het totaal) zijn het nu vermoedelijk al rond de 630.000 huishoudens (8% van het totaal) die energiearm zijn.” 

Volgens Mulder is er een sleutelrol weggelegd voor verduurzaming van slecht geïsoleerde huizen. Rond de 3,8 miljoen huishoudens, ongeveer 48 procent van het totaal, leven in een woning van lage energiekwaliteit. En hoewel velen van hen de rekening nu nog kunnen betalen en niet in energiearmoede verkeren, zal dat moeilijker worden als de hoge energieprijzen aanhouden of nog verder stijgen.

Conclusie

Huishoudens met een laag inkomen en een slecht geïsoleerd huis gebruiken dus niet 40% meer gas en 10% meer elektriciteit, zoals de SP Utrecht beweert. Het aantal huishoudens dat volgens het TNO-rapport door slecht geïsoleerde woningen in energiearmoede verkeert is 390.000, niet 550.000. Hoewel de cijfers van de SP Utrecht niet kloppen, is het wel duidelijk dat energiearmoede een groeiend probleem is en dat huishoudens met een laag inkomen veel zwaarder worden getroffen door de stijgende energieprijzen en inmiddels tussen de 24 tot 35 procent van het inkomen aan de energierekening kwijt kunnen zijn.

Deze factcheck is gemaakt in het kader van de factcheckmarathon die ANP, Pointer en Nieuwscheckers doen in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen op 16 maart 2022.

Placeholder-female-2x

Leon Pauw

Leon Pauw is factchecker voor Nieuwscheckers.
Profiel-pagina