Bewering

Er zijn meer vlinders in Nederland door toename van stikstofminnende soorten.

Oordeel

Onwaar

Bron van de bewering

Tijdens het stikstofdebat van 10 december ontspint zich een discussie tussen Frank Fustelaar (SP) en Barry Madlener (PVV) over de soortenrijkdom in Nederland. Futselaar begint over de invloed van stikstof (ammoniak en stikstofoxide) op de natuur in Nederland. Zo zegt hij over de soortenrijkdom: “Met planten verdwijnen insecten, met insecten verdwijnen vogels en zo raak je een hele keten kwijt.”

Dan komt Madlener. Hij stelt dat sinds 2000 “een heleboel soorten het heel goed doen. Neem van diezelfde vlinders bijvoorbeeld de dagpauwoog.” Futselaar reageert door er op te wijzen dat er ook soorten zijn die het slecht doen: “Er zijn inderdaad soorten in Nederland waar het beter mee gaat, maar er zijn ook een hoop soorten waar het niet goed mee gaat, of het nu vlinders of vogels zijn.”

Later in het debat komt Tjeerd de Groot (D66) aan het woord. Hij komt terug op de woordenwisseling tussen Futselaar en Madlener en zegt het volgende:

“Het werd al gezegd: er zijn veel meer vlinders. Ja, de stikstofminnende vlinders zijn toegenomen, maar het aantal vlinders dat juist in stikstofarme gebieden leeft, neemt af. Als we minder insecten hebben, dan zijn we uiteindelijk ook de vogels kwijt.”

Waarom klopt het niet?

Hoe zit het nu precies met het aantal vlinders in Nederland? Het klopt inderdaad dat sommige vlindersoorten het op dit moment goed doen, maar de totale vlinderpopulatie krimpt.

Cijfers over de vlinderpopulatie worden verzameld door de Vlinderstichting. Omdat vlinders nou eenmaal niet allemaal precies geteld kunnen worden, maakt de Vlinderstichting schattingen, die gebaseerd zijn op de tellingen van vrijwilligers. Iedereen kan zich aanmelden als vlinderteller en zijn telling doorgeven op de zogeheten teldagen in juli. In deze maand zijn de meeste vlinders te zien, omdat ze daarvoor nog als rupsen door het leven gaan. Daarnaast zijn er van april tot en met september tellingen op vlinderroutes, die routes lopen door de vlieggebieden van bepaalde vlindersoorten. Voor deze tellingen is er wel wat basale kennis van vlinders nodig.

Omdat het exacte aantal vlinders in Nederland niet precies geteld kan worden, maakt de Vlinderstichting gebruik van indexcijfers [pdf!]. Het jaar 1992 wordt op 100 gesteld en op basis van de telresultaten wordt de ontwikkeling van soorten berekend. In die berekening wordt rekening gehouden met waar de vlindersoorten voorkomen, wat voor soort plaatsen dat zijn (bos, heide etc.) en de verdeling van de vlinders over deze plaatsen. Met deze indexcijfers kan in beeld gebracht worden of het, ten opzichte van 1992, beter of slechter gaat met de vlinderpopulatie. In de grafiek hieronder is deze trend te zien.

Stikstof

Vlindersoorten kunnen onderverdeeld worden naar stikstofvoorkeur:

  • Ongeveer de helft van de vlindersoorten die geteld worden, zijn stikstofmijdend. Deze soorten leven in stikstofarme gebieden (zoals heides) en daarmee gaat het niet goed.
  • Een kleine 10% van het totale aantal standvlinders is stikstoftolerant en leeft in stikstofrijke gebieden.
  • De rest heeft geen voorkeur of leeft in matig stikstofrijke gebieden, deze worden beschouwd als neutrale soorten.

De stikstoftolerante soorten doen het relatief gezien beter dan de rest van de soorten, zoals ook staat weergegeven in onderstaande grafiek van de Vlinderstichting. De rode lijn staat voor de stikstoftolerante soorten, deze steekt boven de andere soorten uit. De lijn stijgt hard vanaf 1990, maar is vanaf 2004 geleidelijk aan het dalen. Hoewel de stikstoftolerante soorten het een tijdje beter hebben gedaan dan de andere soorten, is ook bij deze soorten dus een dalende trend te zien.

De stikstofmijdende vlindersoorten, weergegeven in de groene lijn in de grafiek, dalen sinds 1990 sterk. Dit komt doordat er meer stikstofrijke gebieden zijn bijgekomen en hun leefgebied dus afneemt. Over het algemeen gaan er meer soorten achteruit dan vooruit. Een lichte stijging in de grafieken kan verklaard worden door de klimaatverandering. Een aantal soorten heeft baat bij hogere temperaturen.

Patatdieet

Hoe komt het nu dat het ook stikstofminnende vlindersoorten afnemen? Chris van Swaay van de Vlinderstichting legt aan Nieuwscheckers uit hoe dit zit. Een overdaad aan stikstof heeft effect op de planten die voedingsstoffen uit de bodem halen. Vlinders (als rups) halen op hun beurt weer voedingsstoffen uit planten. Elke vlindersoort heeft een eigen zogenaamde waardplant, de plant die ze voornamelijk eten als rups. De dagpauwoog haalt bijvoorbeeld het grootste deel van haar voedingsstoffen uit brandnetels. Als er veel stikstof in de voedselketen zit, worden de voedingsstoffen die in brandnetels zitten veel eenzijdiger.

Van Swaay maakt de vergelijking met een dieet dat volledig uit patat bestaat. Doordat er veel voedingsstoffen in aardappelen zitten kan je het wel een tijdje volhouden, maar na een langere periode krijg je vitaminetekorten. Dat is eigenlijk ook wat er aan de hand is in de natuur. Vlinders eten stikstofrijke planten, daar zitten veel voedingsstoffen in, maar het is een eenzijdig dieet.

Volgens Van Swaay is er al verschil te zien op de Waddeneilanden. Daar is de lucht- en bodemkwaliteit beter en bevatten de planten meer voedingsstoffen dan in stedelijke gebieden. Er is op de Waddeneilanden dan ook een meer diverse vlinderpopulatie te zien. Hetzelfde is te zien in stikstofarme gebieden. Daar doen ook de stikstoftolerante vlinders het beter, omdat er meer voedingsstoffen in de planten zitten.

Conclusie

Tijdens een Tweede Kamerdebat over stikstof werd gezegd dat het aantal vlinders in Nederland toeneemt, voornamelijk doordat stikstofminnende vlinders het goed doen. Dit klopt niet. Niet alleen de stikstofmijdende en neutrale vlindersoorten, maar ook de stikstoftolerante soorten nemen af.

Placeholder-female-2x

Wies van Wetten

Masterstudent Journalistiek & Nieuwe Media 2020-2021

Profiel-pagina